De Indo-Europeanen

Inleiding

Na de oorlog kwamen er uit Indonesië ruim 200.000 repatrianten naar Nederland. Een groot deel waren Indo-Europeanen; mensen van gemengd raciale afkomst.

Wat deed ze besluiten naar Nederland te komen? Het land verkeerde in een moeilijke naoorlogse situatie. Het wist ternauwernood van het bestaan van gekleurde Nederlanders, laat staan dat ze voorbereid waren op hun komst die zeker niet werd aangemoedigd.

De informatie die de autochtone Nederlander uit de literatuur kreeg schetst geen gunstig beeld van de Indo. Onder anderen de schrijvers Augusta de Wit “Orpheus in de desa”, Hella Haase “Oeroeg” en recent Joekes, het tweede kamerlid. Indo’s die wat presteerden waren en zijn Nederlanders. Blijkbaar heeft ieder volk behoefte aan zijn eigen joden. Men is er nog steeds niet mee klaar. De oorlog tegen de Duitsers, de Nazi’s, was een gevecht tegen het kwaad. Nederland vertegenwoordigde het goede. Dat kon niet gezegd worden van de koloniale oorlog die daarop volgde. Geen periode waarover men trots kon zijn. De Indo’s blijven levende herinneringen aan die tijd; vormen een storend element voor Nederland dat zich graag ziet als het geweten van de wereld.

Waarom zijn de Indo’s hierheen gekomen? Wat bezielde ze? Om dat te begrijpen volgt hier enige informatie.

Geschiedenis

In “Het sociologisch karakter van de Indo-Maatschappij”, zegt Wertheim, dat waar volkeren met elkaar in contact komen seksueel verkeer plaats vindt. Grote verschillen in huidskleur of lichaamsbouw, doen aan deze algemene regel niets af. Ook sancties konden het niet tegengaan.

Met de komst van de Europeanen in Indonesië deed dus ook de hybride zijn intrede in de wereld. Behoudens enkele uitzonderingen (onder anderen Coen van Diemen) werd deze vermenging door de V.O.C. niet gepropageerd. Maar aangezien de Compagniedienaren niet door een evenredig aantal Nederlandse vrouwen werden vergezeld moest de Compagnie het wel oogluikend toestaan. Van een consequente mestiezenpolitiek is echter geen sprake geweest.

In de Bataviase statuten (zeg maar grondwet) van 1641 werd bepaald, dat Nederlandse Christenen niet mochten trouwen met “on-Christenen”. Naar de letter bestond er dus geen bezwaar tegen een huwelijk met een niet-Europese Christen vrouw. Maar in de praktijk waren er ernstige belemmeringen.

Aan officieren en kooplieden bijvoorbeeld, werd de toestemming tot zo’n huwelijk niet gegeven en lager geplaatsten mochten niet naar Nederland terugkeren.

Er werd dus onderscheid gemaakt naar ras en bijgevolg naar huidskleur. Hoe donkerder de kleur, des te lager de sociale status. De blanke vertegenwoordigde in het algemeen de bovenlaag. De donkerst gekleurden de onderlaag. Het woord “zwarte” (of “bruine”) kreeg daardoor zijn ongunstige gevoelswaarde. Bij de bewustwording van de gekleurde volken volgde dan ook de reactie. Het gebruik van het woord “zwart” wordt nu trots gevoerd.

Buiten Batavia was de situatie weer anders. In 1607 was op Ambon al vergunning gegeven tot huwelijken van Compagniedienaren met landsdochteren. Hoewel formeel de huwelijksbelemmeringen bleven bestaan, werden daar frequent huwelijken gesloten, tot in de aanzienlijkste families uit die dagen.

Europeaanschap labiel

De 17de eeuwse handelaren uit Europa onderscheidden in hun contacten met vreemde volksgroepen steeds Christenen en niet-Christenen. Weliswaar op de tweede plaats, speelde het rascriterium vanaf het begin een rol. Mardijkers, Mestiezen, Castiezen enzovoorts waren Christenen van gemengd bloed, die niet gelijkwaardig werden geacht aan Europese Christenen.

 

In 1820 liet men een algemeen register samenstellen van alle mannelijke Europese ingezetenen en hun afstammelingen. Met Europeanen gelijkgesteld werden die Christenen, die alhoewel niet van Europese origine, maatschappelijk tot die groep waren overgegaan. Daarna was er voortdurend sprake van wisselende criteria, van onderscheid tussen Europeanen en niet-Europeanen, tussen Christenen en niet-Christenen. Hierbij kreeg het rascriterium de overhand. Echter de Christen-Afrikanen en de Christen-Armeniërs werden wel tot de met de Europeanen gelijkgestelden gerekend, Christen-Arabieren en Christen-Chinezen niet.

In 1854 werd voor de laatste maal bij een telling onderscheid gemaakt tussen “zuivere Europeanen en hun gemengdbloedige afstammelingen”. Het was onbegonnen werk.

Niet alle hybriden werden gerekend tot de groep van Europeanen. Voor de kinderen uit het gemengde concubinaat – in kwantitatieve zin belangrijker dan het gemengde huwelijk – waren er twee mogelijkheden. Of ze werden direct bij de geboorte dan wel tijdens het leven door de Nederlandse vader “gewettigd”, of ze “verdwenen in de kampoeng”. Dat wil zeggen dat ze voor de wet Inlander waren en in sociaal opzicht daarmee volledig geïdentificeerd. Ook praktisch was het veelal niet mogelijk ze van de Indonesiërs te onderscheiden.

Wertheim geeft de mening van een goed kenner van de “Indo-maatschappij” weer, die het aantal Indonesiërs met blanke voorouders schat op 8 à 9 miljoen van de toenmalige Indonesische bevolking. Dat zou een 10% zijn, wat erg veel is. Het bevat echter de waarschuwing voor de fout die nog veel gemaakt wordt, namelijk door aan te nemen dat de Nederlanders van gemengd raciale afkomst, het resultaat zijn van verhoudingen tussen Europese kolonisatoren en de autochtone bevolking.

Een gedeelte van het raciaal gemengde bevolkingsdeel is direct bij de geboorte of tijdens het leven in wettelijke zin als Europeaan erkend en – deze consequentie is van essentieel belang – opgenomen in een Europees sociaal en cultureel kader. Slechts een deel van de Europeanen van gemengd raciale afkomst bestaat uit personen die een ouderpaar hadden van verschillend zuiver ras. Het grootste gedeelte is geboren uit ouders die beiden een gemengd raciale afkomst hadden, maar ook beiden in een Europees kader opgegroeid waren. (Zie de asal-oesoel = stamboom elders).

De Indo-Europeanen zijn dus door de Europese kolonisatoren, hetzij “vanzelfsprekend”, hetzij “bij expliciete wilsuiting”, binnen de eigen groep gehouden.

In Nederland vond hetzelfde verschijnsel plaats. Er moeten een groot aantal “autochtone Nederlanders” zijn met gekleurde voorouders. Praktisch zijn ze ook niet van de grote massa te onderscheiden. De Spanjaarden hadden Moorse troepen. Brederode laat in zijn “Spaanse Brabander”, Robbeknol iets zeggen over zijn stiefvader “de Moor” en zijn halfbroertje. Michiel de Ruyter had in Vlissingen een negervriend, Jan Compagnie. In de Camera Obscura is Abraham Kegge getrouwd met een mulattin. In het Mauritshuis hangt het schilderij van Rembrandt: “Twee negers”. In Boymans zijn schilderijen van negerbedienden. En waar twee volkeren met elkaar in contact komen vindt seksueel verkeer plaats, hetgeen vandaag nog duidelijker te zien is. De kolonisator had allerminst de bedoeling de vermenging van rassen zich vrij te laten ontwikkelen. Het stichten van een volksplanting was nooit opzet. Doel was de exploitatie van de kolonie door het moederland, door middel van tijdelijk uitgezonden individuen. Het ontwikkelen van particuliere initiatieven strookte allerminst met het monopoliestelsel van de V.O.C., terwijl er ook, nadat het bewind was overgenomen door de Nederlandse overheid, daarvoor geen of weinig ruimte was.

De hybriden moesten dus ondergebracht worden in een afhankelijke, gecontroleerde klasse en dienstbaar gemaakt worden. Ze vormden dus een buffergroep, wat gemakkelijk was en voordelig. Ze vormden de ruggengraat van de ambtenarij en het leger. De Indo-Europeaan als een soort tussenfiguur te laten rondlopen lag niet in de toenmalige orde. Veel plaats was er niet voor het bastaardkind. Het voorland was de heterogene groep, die zich om de koloniale nederzetting formeerde.

De mengbloed met ambities kon zich in het particuliere maar moeilijk een bestaan scheppen. Als “niet-Inlander” was hij uitgesloten van het grondbezit, zodat hij zich niet op de landbouw kon toeleggen. In de handelsmaatschappijen hadden de uit Nederland uitgezondenen de hogere posities. Wilde hij wat bereiken dan moest hij dus in het leger of bij de ambtelijke macht en de Nederlandse gedachte volledig aanvaarden, dus toenadering zoeken tot de groep die de hoogste status innam. Wanneer een groep individuen uitgesloten wordt van bepaalde functies, zal ze zich werpen op die mogelijkheden die nog openstaan.

De Joden door het gildenwezen uitgesloten, werden bankiers en handelaren. De Chinezen hier, werden via het “pindamanschap” eigenaren van Chinese restaurants. Het gesol met zijn status en de achteruitzetting hebben gemaakt dat de Indo wantrouwend stond tegenover de dominante groep.

Tegen de eeuwwisseling kwam er een wettelijke gelijkstelling tot stand, maar er waren nog steeds verschijnselen die het gevoel van achteruitzetting en wantrouwen voedden. Indo’s werden niet opgenomen in stafbetrekkingen van de particuliere maatschappijen, die ook een huwelijk met een Indisch meisje tegengingen. De Indo raakte in de knel. Van beneden verloor hij het monopolie op de lagere betrekkingen, waar hij moest concurreren tegen de elite van de omhoogstrevende Indonesiërs, terwijl de hogere betrekkingen werden vervuld door uitgezonden totoks. De Angelsaksische handelsmaatschappijen waren zeer star. Zelfs na de oorlog kon een Indo geen stafbetrekking bekleden. In Nieuw-Guinea bleef het tot de overdracht zo. Ook konden Indische kinderen daar aanvankelijk geen beurzen krijgen om in Nederland verder te studeren, Papoea kinderen wel.

Met de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië, waarbij de meest ongeïnteresseerde autochtone Nederlander meer invloed kon uitoefenen dan de Indo, werd er nogmaals gemanipuleerd met zijn Nederlanderschap. Als Nederlander kon hij niet gaan naar het land dat hij als zijn vaderland had leren te aanvaarden. Handelsmaatschappijen die hun Indische werknemers op de boot probeerden te krijgen, waren ervan overtuigd dat er een code bestond, om de Indo van de boot af te houden.

Psyche

Het grootste gedeelte van de mensheid vindt zijn bestaan in een cultureel systeem. Praktisch iedereen wordt geboren, groeit op en sterft binnen de grenzen van een stam of land. Het diepste gedeelte van zijn persoonlijkheid is gevormd uit, en wordt geïdentificeerd met min of meer harmonieuze patronen van de sociale erfenis. Hij heeft dezelfde tradities en taal, beantwoordt aan dezelfde morele code, gelooft in dezelfde manier van leven en in dezelfde religie.

De elementen die zijn persoonlijkheid uitmaken, worden gevormd in een beperkter systeem. Hij is Engelsman, Nederlander enzovoorts.

Wanneer een groep mensen leeft op het raakvlak van twee culturen, waarmee ze ten nauwste betrokken is, dan wordt in het karakter de aspecten van beide culturen weerspiegeld. Een individu uit zo’n groep noemt Park “the marginal man”. De ‘marginal man’ groeit op in een gecompliceerder en minder harmonieuze cultuursituatie. Dit geldt vooral voor diegenen, die tot een minderheid behoren. Dit geldt voor de Indo. Hij zal opgroeiend de invloed ondergaan van beide oudergroepen. Zelfs indien in zijn familiebetrekkingen de ene cultuur domineert, is hij zich steeds scherp bewust van zijn betrekkingen tot de andere groep. Daar hij in het algemeen wel een paar fysieke trekken bezit van beide groepen, zal hij altijd herkend worden als iemand van gemengd bloed. Het gevolg daarvan is dat het raciaal vooroordeel, en dat kan zowel scherp of mild zijn, zich vroeg of laat aan zijn bewustzijn opdringt.

In zijn contacten met de Indo zal de autochtone Nederlander, voordat er van individuele waardering sprake is, de Indo in de eerste plaats zien als Indo, met alle vermeende tekortkomingen. Als gevolg hiervan beantwoordt de Indo deze rolverwachting door zich in dezelfde situatie eerst Indo en dan pas Nederlander te voelen.

Hoewel de situaties waarin de mengbloed verkeert, zeer gevarieerd kunnen zijn, zijn ze toch allemaal min of meer betrokken bij cultuurconflicten en rasvooroordelen. Ze hebben een onevenwichtig, problematisch karakter. Van de conflictsituatie, mild of scherp, is hij zich bewust. Waar hij zichzelf beschouwt vanuit het standpunt van beide groepen, ervaart hij het conflict als een persoonlijk probleem.

Het verschijnsel “Indo” is niet een uniek geval, maar heeft overal op de wereld zijn paralellen. Al naarmate de behandeling die ze ondervinden van de dominante groep de “ingroup”, zal de onbevangenheid zijn waarmee ze de “ingroup” tegemoet treden.

Door de familiebanden die de Indo’s met de Indonesische bevolking hadden kreeg voor een deel van hen de onafhankelijkheidsstrijd na de oorlog (1945 – 1949) het karakter van een burgeroorlog, met alle traumatische gevolgen van dien. Die mensen kwamen met nog een heel andere belasting naar Nederland dan de voor de oorlog naar Indië uitgezonden “Hollanders”.

Auteur: Chr. Abrahamsz

Literatuurverantwoording

  1. Instituut voor Sociaal onderzoek van het Nederlandse Volk te Amsterdam, De repatriëring uit Indonesië, ’s Gravenhage, z.j.
  2. Dr. W.F.Wertheim, Het sociologisch karakter van de Indo Maatschappij, Vrij Nederland, Amsterdam, z.j.
  3. Dr. H.J. de Graaf, Nederlanders over de zeeën, Utrecht, 1955(2)
  4. R.E. Park, Human Migration and the Marginal Man, in: The American Journal of Sociology, Chicago, 1928 III
  5. E.V. Stonequist, The Problem of the Marginal Man, in: The American Journal of Sociology, Chicago, 1935