Het verhaal van Adri Geerligs

Door Adri Geerligs

In 1936 werd ik, Adri Geerligs, in Tandjong-Karang ( zuid Sumatra ) geboren. Mijn ouders waren er een jaar eerder, uit Nederland, aangekomen. Mijn vader had indologie en mijn moeder pharmacie gestudeerd.  Mijn vader werd er als B.B.-ambtenaar aangesteld; mijn moeder kon er helaas geen emplooi vinden. Na Sumatra werd mijn vader overgeplaatst naar Madoera. Hier werd mijn oudste broer geboren ( in Pamekasan ). In 1941 verhuisden we naar Djombang ( Oost-Java ). Daar vond mijn eerste confrontatie met de oorlog plaats.

Na de capitulatie van Nederlands-Indië ( 8 maart 1942 ) werd ’t station van Djombang gebombardeerd. Mijn vader ontkwam ternauwernood een beschieting vanuit de lucht; hij zat in de zijspan van een motorfiets.
Daar mijn moeder zwanger was, gingen we, mijn moeder, mijn broertje en ik, uit veiligheidsoverweging naar ’t zendingsziekenhuis in Modjowarno. Mijn tweede broertje werd er ’s avonds op 23 maart 1942 ( volgens de Japanse tijdrekening: 24 maret 2602 ) geboren. Mijn vader kwam daarvoor uit Djombang over. Achteraf bleek Modjowarno ook niet veilig te zijn. Gelukkig werd een aanval verijdeld.

Weer terug in Djombang haalde mijn vader op 22 april 1942 de dominee ( uit Soerabaja ) van het station. Mijn broertje zou de volgende dag gedoopt worden. Alle B.B.-ambtenaren hadden echter een oproep gekregen om zich te begeven naar een bestemde plaats. Ik zie mijn vader in mijn herinnering nog het pad naar de straat aflopen. Hij kwam toen niet meer terug. Hij en vele collega’s uit Oost-Java werden in de gevangenis, Boeboetan in Soerabaja, vastgezet. De doop ging die zondag niet door.

Een goede kennis van mijn moeder, tante Wil V., kwam met haar dochtertje van enkele maanden oud, uit Makassar, bij ons. Haar man was toen reeds op zee omgekomen. Intussen werd het leven er niet gemakkelijker op. Mijn moeder kreeg geen inkomen meer. Dus moest ze roeien met de riemen die ze had. Het huis moest ’s nachts verduisterd worden; een schuilkelder gegraven. We moesten rondlopen met een gummetje om de hals vanwege de schok die een bombardement kon veroorzaken. Een gummetje om tussen de tanden te zetten wanneer er gebombardeerd zou worden. De onderwijsinstellingen werden voor ons gesloten, zodat ik op mijn zesde niet naar school kon gaan. In die tijd maakte mijn moeder een rugzakje voor mijn broer en mij. In haar grote rugzak stopte ze o.a. blikken havermout, melkpoeder en stukken zeep. Ze voorzag dat wij, evenals zovelen voor ons, eens geïnterneerd zouden worden. In october 1943 was ’t zover. We kwamen in een “beschermde “ wijk, Darmo-wijk, in Soerabaja terecht.

’n Half jaar later ( in maart ’44 ) verlieten we per vrachtwagen de Darmo-wijk. ( Mijn moeder die topzwaar was door rugzak, zinken emmer, mijn broertje, etc., viel achterover in de vrachtwagen. Gelukkig had ze geen ernstig letsel. ) We werden in een trein geplaatst met wagons waarin 3 rijen banken in de lengterichting stonden. Vooral voor moeders met kinderen moet dit een vreselijke tocht zijn geweest.

Eindelijk kwamen we in Semarang aan. Wij werden geïnterneerd in een gewezen weeshuis: Karangpanas.
In een grote zaal met britsen werden vele moeders met kinderen ondergebracht. Ergens in een hoek was een gat in de grond ( wc-gat? ) waar ratten uit kwamen en ons beroofden van kleinigheden.

We leden er honger; ziekten heersten er. Zo stierf het dochtertje van tante Wil V. er plotseling aan hersenvliesontsteking. Soms was er geen of nauwelijks water. Vliegen moesten er door ons gemept worden en ingeleverd voor een portie eten. Een keer maakte ik mee dat een vrouw die ’s nachts moest wachtlopen, bont en blauw geslagen was, omdat ze even haar post had verlaten om haar kind tot bedaren te brengen.

In november 1944 moesten we weer verkassen. We kwamen nu in het volle kamp Lampersari, ook in Semarang.We kwamen in een kamponghuisje terecht, die we met nog 15 tot 20 anderen moesten delen.

Ik herinner me nog dat ik eens van iemand een standje kreeg, omdat ik al weer in de rij voor de w.c.’s stond. Velen hadden n.l. dysenterie ( buikloop ) en moesten dan steeds de toiletten opzoeken.

Mijn moeder kreeg heel dikke, opgezette benen ( beri-beri ) waardoor ze heel moeilijk kon lopen. We leden allemaal aan vitamine-gebrek. “t Eten was dan ook heel slecht:“stijfsel”pap, klef brood, geen groente en vlees, etc.

Dan waren er de appèls!

Onderwijs geven of ontvangen was verboden. Soms kreeg ik toch stiekem wat les van juffrouw Langeler. Ik betaalde haar daarvoor met een kikker of slak. Tante Dicky B. die eens “gedekt” had ( en mij wat goela djawa had gegeven ), moest voor straf ( ze was n.l. verraden ) een hele dag, in de brandende zon, op een gespleten bamboe-stengel, in de holte van haar knie, zitten. En wij moesten allemaal langs haar lopen en zien hoe iemand voor zo’n “misdaad ” gestraft werd. Gedek is een wand van gevlochten bamboe-repen, die hier als grens van het kamp werd gebruikt. Gedekt= handel drijven door die wand.

Tante Wil V. stierf een jaar na haar dochtertje ( augustus ’45 ).

Toen er vliegtuigen boven ons kamp vlogen en er pamfletten uit gestrooid werden, zei mijn moeder tegen me: “Adri, vergeet dit nooit!” ’t Zingen van het “Wilhelmus” later ontroerde me heel erg. Zelfs nu kan ik mijn ogen niet droog houden als ik dit lied hoor, gespeeld en/of gezongen.

Na de atoombommen op Hiroshima ( 6 augustus ) en Nagasaki ( 9 augustus )capituleerde Japan. Dit nieuws drong pas later in ons kamp door. We zagen toen ook veel ellende buiten het kamp, buiten het gedek.

Brits-Indische soldaten ( Ghurka’s ) kwamen in ons kamp. Het werd buiten het kamp gevaarlijk. Bersiap.
Via het Rode Kruis kwamen veel lijsten binnen met namen van hen die overleden waren. Wij kregen gelukkig te horen dat mijn vader de oorlog overleefd had.

Op 9 november 1945 verlieten we, heel dankbaar dat we die ellendige jaren achter ons konden laten, de haven van Semarang. Met het hospitaalschip “Oranje” konden we naar Australië gaan om daar weer op krachten te komen. Na een week arriveerden wij in de haven van Fremantle. Na zes maanden moest mijn vader weer naar Indië terug. Hij kwam terecht in Samarinda, Oost-Borneo. Wij volgden hem enkele maanden later.  In 1949 kwamen we in Nederland aan.