Verhalen

duifRequiem
In memoriam Robbie T.
*25-03-1931 +/- 14-04-1945

Tjimahi, 1945

Hij was veertien jaar
toen hij stierf van de honger
in een jappenkamp –
hoe hij riep om zijn moeder,
zijn moeder zo ver van hem

Een fouragekar
draagt zijn uitgeteerd lichaam
naar de begraafplaats;
daarop ligt hij, zo klein,
in een tikar gewikkeld

De rouwstoet bestaat
uit twee mannen, een jongen
en een Japanner –
alleen het wielgeratel
verbreekt de stilte op straat

Wij graven een kuil,
uiterlijk onbewogen –
en leggen hem neer
in de vruchtbare aarde
ergens in de Preanger

Cimahi, 1995

Weer loop ik de weg
van het kamp naar het kerkhof
kort na dageraad
bij opstijgende nevels
slaan herinneringen neer.

Een kruis met zijn naam
op het veld Leuwigajah
is wat van hem overbleef.
Terwijl ik bloemen neerleg
hoor ik hem roepen, als toen.

Woordverklaring bij Requiem
Tikar: matje van gevlochten palmbladeren
Preanger: landstreek in West-Java
Leuwigajah: ereveld bij Cimahi

Piet Dietze

 Losse verhalen en gedichten

Door Onder anderen uit CD-I: “Van VOC en Nederlands Indië tot Indonesië”

Het vrouwenkamp Banjoe Biroe

Het vrouwenkamp Banjoe Biroe wordt weer eens bevoorraad door een ploeg jongens uit het mannenkamp Ambarawa. Als een lopend vuurtje (kabar angin) gaat het door het kamp, wie er in de jongens-sjouwploeg zitten, onder anderen een zoon van een van de ‘bewoonsters’ van Banjoe Biroe. Zij spoedt zich naar de wacht, waar de jongensploeg staat te wachten: de meisjes-sjouwploeg heeft het afladen van ze overgenomen. Tegenover haar zoon staat de moeder, ze mag echter niet met hem praten! De wachtcommandant verbiedt elke conversatie tussen de groep vrouwen en de jongens. Een wrang weerzien, na maanden scheiding zonder enig contact. De moeder vraagt daarom aan de wacht, of ze niet mag informeren of het goed gaat met haar zoon. Nee, dat mag niet. Daarop reageert haar zoon (alles in het Maleis) of hij niet mag vertellen dat het goed met hem gaat. Nee, dat mag niet. Vervolgens vraag de moeder of ze aan de jongen mag vragen hoe het met haar andere zoon gaat, die ook naar het mannenkamp is gegaan. Ook dat mag niet. Wanneer de knaap tegenover haar vraagt, of hij niet mag vertellen, dat het met zijn broer ook goed gaat, wordt dat weer verboden. Op dezelfde manier weet de zoon aan zijn moeder te vertellen dat Opa ook in het mannenkamp zit en ook hij het redelijk goed maakt. Van dit ‘vraag- en antwoordspel’ is uiteraard door de andere vrouwen en jongens dankbaar gebruik gemaakt. Snel, fluisterend werd de nodige informatie over familie en kennissen uitgewisseld. (Mevrouw Sprey-Diemer en haar oudste zoon Jaap waren de moeder en zoon.)

Leendert Sprey

 

Pearl Harbor

Pearl Harbor ligt precies op de datumgrens. Men kan dan ook zeggen dat de aanval door Japan op Pearl Harbor op 7 of 8 december plaatsvond. Voor velen kwam de aanval onverwacht, veel soldaten sliepen op de ochtend van de aanval hun roes uit. Bovendien werd er in de haast het verkeerde commando getrompetterd: ‘Soldij halen’ in plaats van ‘Gereed maken’ gegeven.

Mopje van Wim Kan: Japan is het enige reisbureau waar je zelf de spoorlijn mag aanleggen.

Hugo de Jager

 

Op transport naar het eerste kamp Kareës in Bandung

Op transport naar het eerste kamp Kareës in Bandung, ik was toen 9 jaar. Mijn moeder had in een koffertje wat kleren ingepakt. In een rugzakje droeg ik wat klein spul, zoals kampeerbordjes, kroesjes en bestek en mijn onafscheidelijke beer. Vlak voor we uit huis gingen, in een onbewaakt ogenblik, gooide ik mijn kleren uit mijn koffertje en stopte er mijn drie lievelingsboeken in: De sprookjes van Hans Andersen, Bruintje Beer en Meneer Prikkebeen. Ik bedreef met mijn boeken al gauw een levendige ruilhandel, zodat ik enigszins aan mijn onverzadigbare leeshonger kon voldoen.

Een paar maanden later moesten plotseling alle boeken ingeleverd worden. Er werden in het kamp verschillende brandstapels gemaakt, bewaakt door een gewapende Jap. En zo stond ik ook in de rij, mijn kostbaarste bezit tegen me aangeklemd. Telkens, als ik bijna aan de beurt was om mijn boeken in het vuur te gooien, liep ik de rij uit en ging weer helemaal achteraan staan, terwijl ik haastig stukjes uit mijn drie boeken las en de plaatjes telkens weer bekeek om maar geen enkel detail te vergeten. In mijn herinnering heb ik de hele dag in de rij gestaan, maar uiteindelijk was ik dan toch aan de beurt. Ik keek naar het onbewogen gezicht van de Jap, in de hoop dat hij me met mijn boeken naar huis zou sturen, maar met een ongeduldig handgebaar sommeerde hij me om mijn boeken aan de gretige vlammen te voeren. Met mijn boeken gooien kon ik niet; ik legde ze voorzichtig naast elkaar in het vuur en hoopte op een wonder, dat ze onbrandbaar zouden zijn. Ik stond vastgenageld aan de grond te kijken hoe de Sprookjes, Bruintje Beer en Meneer Prikkebeen in een hoopje as veranderden. Het gezicht van de Jap bleef strak en onbewogen.

Ik heb niet gehuild.

Alweer naar een ander kamp. Ditmaal van Tangerang op vrachtauto’s naar Gedung Badak. We werden als sardientjes op elkaar in de open vrachtwagens geladen. Mijn moeder had mijn rugzakje volgestouwd met kleren en noodzakelijke spulletjes, zodat ik mijn ongeveer 50 cm grote Beer Brom in mijn armen had. Brom was mijn grootste vriend – aan hem vertelde ik zachtjes hoe afschuwelijk ik het kamp vond, hoe ik naar ons huis en naar mijn vader verlangde, naar mijn boeken, naar mijn achtergelaten dieren, hoe bang ik was op appèl voor de schreeuwende Jap, hoe bang ik was voor de ruziënde vrouwen en dat mijn buik zo’n pijn deed van de honger. Ik was in een onhoorbaar gesprek met Brom gewikkeld, ze hadden mij al in de vrachtwagen getild, toen ik een boos schreeuwend gezicht van een Heiho boven me zag. Ik voelde een ruk – Brom nam kennelijk te veel plaats in en werd door de Heiho uit mijn armen gerukt en uit de vrachtauto gegooid. Toen we wegreden zag ik hem liggen aan de kant van de weg, een poot dwaas omhoog alsof hij me wilde groeten.

Ik heb weken lang geen woord gezegd. Ik was toen tien jaar.

Flappie, de kampcommandant van Adek was dol op bananen. Wij kregen die uiteraard nooit en als hij weer eens een pestbui had (vaak!), dan liep hij bananen-etend door het kamp, een ware Tantaluskwelling voor ons dus. Hij gooide de schillen dan gewoon over zijn schouder, maar het was streng verboden die op te rapen, waarom weet ik niet, waarschijnlijk gewoon pesterij. Op een middag liep hij weer treiterig bananen te eten en ik sloop heel voorzichtig achter hem aan. Er viel een bananenschil vlak voor mijn voeten en in een flits raapte ik hem op om me ermee te verstoppen en hem op te eten – ik was 11 jaar en verging van de honger. Maar Flappie had zich bliksemsnel omgedraaid en ik werd dus op heterdaad betrapt.

Resultaat: mijn moeder kreeg een pak slaag en onze barak kreeg die avond geen eten. Iedereen boos op mij.

Aase Munck

 

De honden in het Jappenkamp

Het is in uw eigen belang’, schreef de Jap, ‘U wordt ter bescherming opgesloten in omheinde wijken’. We kregen aanwijzingen, wat wel en niet mocht worden meegenomen naar de ‘beschermde’ wijk. Ik weet niet meer of er ook iets over huisdieren werd vermeld, maar het leek evident dat je die in zo’n situatie maar beter niet kon meenemen. Wij hadden katten, kippen en eenden, die een liefderijk(?) onderdak vonden bij onze bedienden. Maar veel vrouwen dachten er anders over en sleepten hun huisdieren mee, het kamp Tjideng in.

Het wekte dan ook geen verbazing dat na enkele weken het bevel kwam, alle huisdieren te komen inleveren. Zuchtend voldeden de meeste families hieraan en brachten hun dieren naar de poort. Het lijdt geen twijfel of de honden en konijntjes verdwenen, bij de heersende voedselschaarste, in een smakelijk Japans schoteltje.
De kampcommandant, Sonei, was van een koppel volbloed Duitse herders dusdanig gecharmeerd, dat hij ze voor zichzelf behield. Een deel van zijn waanzinnig gedrag (Sonei bleek maanziek) bestond hierin, dat hij deze honden voederde voor de kamppoort. Vlak voor onze hongerige oogjes serveerde hij beide prachtdieren hoogstpersoonlijk enige door zijn kok gebakken spiegeleieren met vlees; ik vond het maar raar eten voor een hond en had het wat graag zelf gehad.

Opa Vrolijk, een tachtigjarige, vitale man met een spierwitte haardos en baard, bezat ook een herdershond, waar hij zeer aan gehecht was. Hij had de hond nodig, want Opa Vrolijk was weduwnaar en nagenoeg blind, en de hond leidde hem veilig door het kamp. Een aantal goedwillende dames ging met het Nederlandse kamphoofd naar Sonei om te bepleiten dat Opa Vrolijk bij wijze van uitzondering zijn huisdier mocht behouden. En het wonder geschiedde: Sonei stemde toe.

Enige maanden later had hij zich echter bedacht en Opa Vrolijk moest alsnog zijn herder komen inleveren. Tranen stonden in zijn ogen toen hij zijn kameraad op de vrachtauto tilde. Drie weken later was Opa Vrolijk dood. Het verhaal gaat dat ook de hond niet meer at en van verdriet is gestorven, maar hierover ontbreken de harde feiten.
Sommige dames waren zo onverstandig geweest om hun hondjes, vooral als ze klein en stil waren, stiekem te behouden. Maar natuurlijk werd er geklikt, er volgde een razzia en alle achtergebleven dieren, in mijn herinnering van een achtjarige, overwegend witte poedeltjes, werden alsnog geconfisqueerd. Maar de Jap zou ons wel mores leren! De voor hem verbazingwekkende ongehoorzaamheid van de Nederlandse vrouwen moest worden afgestraft. Voor de verzamelde menigte op appèl werden de hondjes één voor één aan de takken van een kersenboom opgehangen. Het was gauw gebeurd. We moesten wel kijken, want als je je ogen sloot kreeg je een klap. Daarna was het stil in het kamp. Alleen de krekels zongen nog hun liedje.

Marjan Bruinvels

 

Eind 1945 in Nederlands-Indië / Indonesië

  • Einde van de oorlog.
    Er kwam post en je kon schrijven. Er was meer te eten, maar je mocht het kamp niet uit. Er kwamen Engelsen in het kamp en er kwam een vliegtuig over dat pamfletten uitwierp die in het Nederlands gesteld waren. Ik had voor mijn moeder van hout een broodplank gemaakt. Van het Rode Kruis hoorde ik dat ik mijn vader nooit meer terug zou zien…

    14 jarige jongen
  • Van mijn moeder die in het ziekenhuis lag, mocht ik het kamp uit om vlees te kopen. Maar drie Javaanse mannen verkrachtten me, en stuurden me lachend zonder mijn kleren weer terug.
    9 jarig meisje
  • Ik heb de oorlog buiten het kamp meegemaakt. Toen “onze” Jap zei – War is over -, moesten we naar het centrum van de stad. In de buitenwijken moordden en plunderden Indonesische jongelui. Ik ben toen gaan zwerven met een stel vrienden, en meldde mij eind 1946 aan bij het KNIL, waarbij ik knoeide met mijn leeftijd.
    15 jarige jongen
  • Wij bleven de hele oorlog buiten het kamp op een afgelegen plantage. We merkten niet zo veel van de oorlog. Alleen weet ik nog de fel emotionele propaganda van Japan tegen blanken en christenen. Tot er in september 1945 het Rode Kruis verscheen en aan mijn moeder vroeg om in “hun” klooster schoon te maken. Maar al snel werden we gevangen genomen door Indonesiërs en in een kamp met zo’n 500 andere mensen opgesloten. Daarna nog drie andere kampen bewaakt door extremisten. Totaal waren we 14 maanden in kampen. Na de oorlog.
    9 jarige jongen
  • De legertruck met vrouwen en kinderen werd door Javaanse jongeren, voor mij grote jongens en meisjes, tot stoppen gedwongen. De Brits-Indische militairen werden weggevoerd. En toen staken ze de truck in brand. Wie wilde vluchten werd teruggestuurd het vuur in. Een moeder gooide haar zoontje van ik schat twee jaar uit de vuurzee. Twee Javaanse jongens spiesten het kindje op een bamboespeer, die ze vervolgens in het vuur staken daar waar ze de moeder vermoedden. En allen krijsten: dood de blanken. Toen kon onze truck doorrijden.
    5 jarige jongen
  • Tijdens de bezettingstijd woonde ik met mijn moeder en mijn jongere broertje Paul in de Palmenlaan in Batavia. Door gebrek aan inkomsten werd het leven steeds moeilijker. Gelukkig kon Paul werk vinden in een fabriekje waar sloffen werden gemaakt. In september 1944 kreeg hij een oproep van het KOP, de dienst die zogenaamd de belangen van de Indische Nederlanders behartigde. Er volgde een reeks van gebeurtenissen waarbij Paul steeds meer onder druk werd gezet om aan exercities, lessen en oefeningen deel te nemen. Omdat hij dit niet deed, moest hij zich na de eerste oproep nog vier keer bij het KOP melden. De laatste keer, in januari 1945, werd hij door Van den Eeckhout uitgescholden. Eind januari 1945 werd Paul met andere jongens uit Batavia door de politie meegenomen. Wij leefden lange tijd in angst en onzekerheid want we wisten niet waar zij werden vastgehouden.
    Plotseling kreeg mijn moeder eind maart een oproep om zich direct bij de PID in het hoofdbureau van politie te melden. Omdat zij ziek was, ben ik erheen gegaan. Ik werd er door een politieman op onhebbelijke toon toegesproken: “Mau apa?” (Wat moet je?). Ik vertelde hem dat ik de zuster van Paul Dinger was en dat ik namens mijn zieke moeder kwam. Daarop zei hij botweg: “Je broer is dood, je kunt hem in de Glodok-gevangenis ophalen”.
    Toen ik in tranen uitbarstte, begonnen enkele aanwezige Indonesiërs en Japanners hierom te lachen. Onderweg naar huis bedacht ik allerlei manieren om het mijn moeder voorzichtig te vertellen en fietste vele straten om, teneinde tijd te winnen. Toen ik uiteindelijk thuis kwam en tegenover haar stond, zakte alles weg en ik zei zondermeer: “Paul is dood!”. Het was een verschrikkelijk moment dat ik nooit zal vergeten.
    Wij zijn Paul met een karretje gaan halen. Toen wij thuis de kist openden, konden we onze ogen niet geloven. Hij was geheel uitgeteerd, vel over been.
    Twee maanden geleden was hij nog een flinke goedgebouwde jongen met een lengte van 1.97 meter. In de korte tijd van zijn gevangenschap was er door ondervoeding, malaria en dysenterie maar weinig van hem overgebleven. Paul was de eerste dode in Glodok.
    Niet alleen wij waren diep geschokt. Van alle kanten, van bekenden en onbekenden kwamen blijken van intens medeleven. De kist werd onder bloemen bedolven. Ook onze hond Jiminy, waar Paul veel van hield, was heel verdrietig. Toen we hem zochten, vonden we hem tussen de ijsblokken liggen. Die lagen daar om de rouwkamer koel te houden. In een trieste stoet gingen wij naar de begraafplaats Tanah Abang. Zes jongens uit de buurt droegen de kist van de Palmenlaan naar de plaats van bestemming. Moeder en ik volgden in een sado (= koetsje). De stoet bestond uit vele vrienden en meelevenden.
    Bij het vertrek van ons huis stond de overbuurman in zijn voorgalerij vergenoegd lachend toe te kijken. Zijn naam: Piet Hein van den Eeckhout!

    Els Dinger, uit Indisch jongerenverzet 1994 – Glodok 1945 (1995)

Gedichten

Ik ben een kind uit een kamp
een der naamlozen
die
zonder het te willen
eens gedwongen werd
te buigen voor macht
en die nog steeds niet heeft geleerd
dat buigen
niet meer noodzakelijk is
niet meer een moeten
alleen maar iets
wat je kan doen
uit eigen vrije wil

Audy

De Laars

lange grauwe laarzenrijen
dreigen dreunend op de straat
stap na stap dicht bij me komend
en ik weet: “het is te laat”.
als symbool dus van wat macht is
van wat wreed is en ook slecht,
zie ik steeds die laars weer
glimmend zwart en levensecht.

Dick

Moeder

Heb ik diep genoeg gebogen,
zodat jij geen klappen kreeg,
is het daarom lieve mammie
dat je al die jaren zweeg?

Heb jij in die tijd gekeken
door de ogen van jouw kind
en gehoord met kinderoren
de spanning voor ’t appèl begint?

Weet je eigenlijk wel mammie
wat mijn ziel is aangedaan?
door die schreeuwende jappen
in dat kamp hier ver vandaan!

Peter